The First-Year Player Draft

Elk jaar vindt begin juni de First-Year Player Draft plaats, ook wel bekend als de Rule 4 Draft. De Major League teams krijgen dan de kans om getalenteerde spelers van high schools en colleges aan hun franchise toe te voegen. De spelers die gedraft worden, moeten eerst nog een contract tekenen, maar zodra zij dat doen mogen zij in de Minor en Major League uitkomen voor hun nieuwe team.

De volgorde waarin teams spelers mogen selecteren wordt bepaald door het win-loss record van het voorgaande seizoen. Om ervoor te zorgen dat het niveau in de MLB enigszins genivelleerd wordt, mag het team dat in het voorgaande seizoen het slechtste record had als eerste kiezen in de draft. Zij kunnen zo de beste speler tekenen en krijgen op die manier de kans om een aantal seizoenen later weer terug te keren aan de top. Het is echter niet zo dat de 1st overall pick in de draft een garantie is voor een superstar. Sterker nog: sinds de eerste draft in 1965 zijn slechts 19 spelers gekozen, die later zouden uitgroeien tot All-Stars. Twee van deze 1st overall picks bereikten zelfs nooit de Major League (Steve Chilcott, Mets in 1966 en Brien Taylor, Yankees in 1991). Geen van de eerste picks is tot nog toe doorgedrongen tot de Hall of Fame, maar een aantal bekende spelers zal daar zeker nog voor in aanmerking komen: Ken Griffey Jr. (Mariners, 1987), Chipper Jones (Braves, 1990) en Alex Rodriguez (Mariners, 1993). In de afgelopen jaren werden ook grote namen als allereerste gedraft: Josh Hamilton (Devil Rays, 1999), Adrian Gonzalez (Marlins, 2000), Joe Mauer (Twins, 2001), Justin Upton (Diamondbacks, 2005) en David Price (Rays 2007).

De afgelopen twee jaar mochten de Nationals als eerste kiezen en zij hadden de mazzel dat er in beide jaren twee hele grote talenten konden kiezen, die op dat moment ver boven hun generatiegenoten uitstaken. Stephen Strasburg (2009) is een van de grootste pitching talenten in de MLB en is helaas geblesseerd, maar debuteerde vorig jaar met dertien strikeouts in zijn eerste wedstrijd. Vorig jaar selecteerden de Nationals Bryce Harper, een 17-jarige power hitter, die zij in het outfield gestald hebben. Harper, nu 18 jaar oud, slaat in Single-A op dit moment .342 met 14 home runs, 42 RBIs en 12 stolen bases. De Nationals hebben al gezegd dat zij hem dit seizoen nog niet naar de MLB zouden oproepen, maar de kans lijkt erg groot dat Strasburg en Harper volgend jaar teamgenoten zijn bij de Washington Nationals.


Dit jaar mochten de Pirates als eerste kiezen, maar voor de Pirates is de draft de laatste jaren niet altijd goed gegaan. Dit is volgens velen ook de reden dat zij zo lang al onderaan de league bungelen. Op de SweetSpot Blog van ESPN (aanrader!) vond ik onderstaande opsomming van 1st round draft picks van de Pirates:
2009 — Tony Sanchez (4th). Could have had: Mike Trout (25th).
2008 — Pedro Alvarez (2nd). Could have had: Eric Hosmer (3rd) or Buster Posey (5th).
2007 — Daniel Moskos (4th). Could have had: Jason Heyward (14th).
2006 — Brad Lincoln (4th). Could have had: Tim Lincecum (10th).
2005 — Andrew McCutchen (11th). Could have had: OK, nothing wrong with this pick, although Jay Bruce went with the next choice.
2004 — Neil Walker (11th). Could have had: Jered Weaver (12th).
2003 — Paul Maholm (8th). Could have had: Chad Billingsley (24th).
2002 — Bryan Bullington (1st). Could have had: Prince Fielder (7th).
2001 — John Van Benschoten (8th). Could have had: David Wright (38th).
2000 — Sean Burnett (19th). Could have had: Adam Wainwright (29th).
1999 — Bobby Bradley (8th). Could have had: Carl Crawford (52nd).
1998 — Clint Johnston (15th). Could have had: CC Sabathia (20th).
1997 — J.J. Davis (8th). Could have had: Lance Berkman (16th).
1996 — Kris Benson (1st). Could have had: Jimmy Rollins (46th)
1995 — Chad Hermansen (10th). Could have had: Roy Halladay (17th).

Tussen haakjes staat welke pick zij hadden in de draft (ze waren uiteraard niet altijd de eerste) en daarachter staat welke speler zij in die draft misschien/waarschijnlijk beter hadden kunnen kiezen. Dit jaar selecteerden zij met de eerste overall draft pick rechtshandige werper Gerrit Cole van UCLA. Cole werd in 2008 al gedraft door de Yankees, maar besloot eerst naar college te gaan voordat hij professional zou worden. Deze keuze heeft voor hem uiteindelijk dus goed uitgepakt en hij krijgt nu de kans om binnen een paar jaar uit te groeien tot de toekomstige ace van de Pittsburgh Pirates. Voor meer informatie over Gerrit Cole kun je dit filmpje bekijken, waarin het panel van MLB Network de keuze van de Pirates bespreekt.

Links zie je een overzicht van de eerste tien overall picks in de draft van gisteren. De Seattle Mariners kozen voor de linkshandige werper Danny Hultzen van de University of Virginia, waarvoor hij als junior 11-3 ging met een ERA van 1.57. Opvallend was dat de derde overall pick, Trevor Bauer, net als Gerrit Cole van UCLA komt. De eerste position player in de draft was outfielder Bubba Starling, die werd gekozen door de Kansas City Royals, voordat veelbelovende derde honkman Anthony Rendon door de Nationals werd gekozen. Men had eigenlijk verwacht dat Rendon als tweede overall zou worden geselecteerd, maar de Mariners besloten toch een pitcher te kiezen.

De Tampa Bay Rays, die nog voor de tweede ronde (na de supplemental round) al 12 spelers mochten kiezen, kozen in de eerste ronde rechtshandige werper Taylor Guerrieri, outfielder Mikie Mathook en korte stop Jake Hager. De New York Yankees hadden vanwege het tekenen van Rafael Soriano geen first round pick, maar kozen wel een bekende naam in hun eerste pick: Dante Bichette Jr. (51ste overall). De derde honkman is de zoon van oud Major Leaguer Dante Bichette, die zijn carrière eindigde met een slaggemiddelde van .297 en bovendien een goede vriend is van Yankees manager Joe Girardi.

Baseball Slang Explained

In deze serie leg ik termen uit die je vaak leest of hoort, maar waarvan je de betekenis misschien half of helemaal niet kent. Vandaag de termen LOOGY, Zombie en Grit.

LOOGY
Als je naar Baseball Tonight kijkt of veel over Amerikaanse honkbalsites struint, is dit een term die je waarschijnlijk vaker gehoord of gezien hebt. LOOGY is een afkorting en staat voor Lefty-One-Out-Guy, ofwel een lefty specialist. De meeste teams in de MLB hebben wel een LOOGY. Ze zetten hem vaak laat in de wedstrijd uit om de beste linkshandige slagman(nen) van de tegenpartij uit te schakelen. Veel van deze specialisten gooien vanuit een bepaalde ‘arm slot’ (sidearm/driekwart) en maken het de linkshandige slagmensen over het algemeen een stuk lastiger dan de rechtshandige starters en relievers.

Bekende LOOGYs in de Majors zijn Damaso Marte (Yankees), George Sherrill (Braves), Matt Thornton (White Sox), Jeremy Affeldt (Giants) en Arthur Rhodes (Rangers). Phil Coke (Tigers) was ook een LOOGY, maar wordt volgend jaar een van de starters van de Tigers.

Zombie
Zombies kennen we allemaal: halfdoden die in slechte films de mensheid de stuipen op het lijf jagen. Ook in het honkbal kennen we zombies. Je kunt je misschien wel voorstellen wat er met een zombie bedoeld wordt als je het woord toepast op honkballers. Het zijn spelers die aan het einde van hun loopbaan zitten en eigenlijk net even te lang doorspelen. Ze hebben het hoogtepunt van hun carrière al jaren achter zich liggen, maar verlengen die carrière door bij mindere teams te gaan spelen om toch nog wat geld mee te pakken en hun ervaring over te brengen op jongere spelers.

Voorbeelden van dit soort spelers zijn Ivan Rodriguez (Nationals) en Jason Giambi (Rockies). De 39-jarige ‘Pudge’ sloeg tussen 1994 en 2004 niet een seizoen lager dan .297, werd in 1999 MVP (toen hij ook nog eens 35 home runs sloeg en 113 RBIs had). Tussen 1994 en 2004 kwam zijn WAR in welk seizoen dan ook niet onder de 3.0 uit, maar tussen 2007 en 2010 had hij een cumulatief WAR van slechts 3.6. Een duidelijk teken dat hij zijn beste tijden ver achter zich heeft liggen.

Het verhaal van Giambi (40) lijkt erg op dat van Rodriguez. Ook Giambi werd AL MVP (2000) en tussen ’96 en ’08 sloeg hij, mits fit, altijd meer dan 20 home runs, vaak zelfs ruim 35. Zijn WAR kwam in zijn blessurevrije jaren niet onder de 3.2 uit (met als uitschieter 10.3 in 2001), maar zijn cumulatieve WAR tussen 2007 en 2010 was slechts 3. Het is duidelijk dat beide spelers hun sportieve hoogtepunten al ver achter zich hebben liggen, toch zijn ze voor hun huidige teams (resp. de Nationals en de Rockies) nog redelijk nuttige spelers.

Grit
Dit is een term die de laatste tijd vaak in het nieuws is vanwege de film met tien Oscar nominaties: True Grit. Veel schrijvers gebruiken deze film als aanleiding om nog eens te kijken wat nou precies een ‘gritty player’ is. Grit is een combinatie van ‘hustle’, mentale en fysieke hardheid en arbeidsethos. Een ander woord dat vaak voor een ‘gritty player’ wordt gebruikt, is ‘gamer’. Het zijn spelers die goed liggen bij de fans, spelers die alles doen om te winnen en spelers die na een wedstrijd altijd met een vuil pak van het veld stappen. Ze zijn herkenbaar aan het feit dat ze veel duiken en head first slidings maken om een single in een double te veranderen of een double in een triple. Bekende voorbeelden van ‘gamers’ of ‘gritty players’ zijn Dustin Pedroia (Red Sox), Brett Gardner (Yankees), Grady Sizemore (Indians) en Ty Wigginton (Rockies) was jaren het voorbeeld van een speler die grit liet zien. Pedroia won in 2010 de ‘True Grit Award’.

Een van de meest gritty plays in de afgelopen jaren was deze play van Derek Jeter in een wedstrijd tegen de Boston Red Sox.

Spring Training

De zon begint in Nederland inmiddels ook steeds vaker door te breken en de vogeltjes beginnen steeds vrolijker te fluiten. De lente komt eraan! We kunnen onze trainingen bijna buiten voort gaan zetten en eindelijk weer honkballen zoals het bedoeld was: buiten op die prachtige diamond. In Amerika gaan de spelers al in februari naar buiten, maar ze gaan daarvoor naar warmere oorden: Arizona en Florida.

Crack of the bat
Als eerste moesten de pitchers en catchers zich melden om alvast te beginnen met hun ‘throwing programs’. Over het algemeen mogen de slagmensen zich een week later melden, maar vaak zie je ze al wat eerder binnendruppelen om vast te beginnen met trainen. Het zijn de eerste hoopvolle momenten voor honkbalfans waarin de ‘crack of the bat’ en het geluid van een bal die in een handschoen klapt weer te horen zijn. Het zijn de eerste tekenen van de lente en het einde van de lange saaie winter.

Het is altijd grappig om te lezen hoeveel berichten in deze periode over het gewicht van spelers gaan. Vlak voor de officiële start van Spring Training komen er ontzettend veel berichten over spelers die in ‘the best shape of their life’ zouden zijn. Vaak gaat het over spelers die een jaar ervoor een slecht seizoen kende en in de winter een van de volgende vijf dingen heeft gedaan:
1. Lost 30 pounds
2. Had laser eye surgery
3. Rehabilitated their knee/back
4. Rededicated themselves to the game
5. Found a new passion for baseball

Dit jaar zijn er dit soort berichten uitgekomen over Pablo Sandoval, Jorge De La Rosa, Jack Wilson, Miguel Cabrera (die overigens laatst opnieuw opgepakt werd door de politie) en C.C. Sabathia. Sabathia, die in de winter rond de 15 kg is afgevallen, gaf aan dat dit vooral kwam doordat hij was gestopt met het eten van een hele doos ‘Cap’n Crunch cereals’ per dag. Natuurlijk zijn er ook spelers die totaal niet in vorm zijn. Joba Chamberlain, reliever van de Yankees, komt in een voor hem ontzettend belangrijk seizoen veel te zwaar naar Spring Training. Kyle Kendrick, die wil proberen een plek in de hele goede Phillies starting rotation te winnen, vond zichzelf in ‘the worst shape of my life’. Pedro Alvarez, de derde honkman van de Pirates, kwam bijna 10 kg zwaarder aan in Bradenton, Florida. Het is altijd nog maar de vraag in hoeverre deze verschillen in gewicht, of andere manieren waarop spelers veranderd zijn ten opzichte van het vorige seizoen, hun uitwerking hebben op het volgende seizoen, maar het is altijd weer grappig om te zien hoe er in de komkommertijd gespeculeerd wordt over de vorm van de spelers.

Wedstrijden
De eerste twee weken bestaan in Spring Training vooral uit trainingen en intersquad games. Aan het einde van de maand februari staan de eerste oefenwedstrijden op het programma voor de honkballers die door hun team zijn uitgenodigd voor Spring Training. De wedstrijden zijn over het algemeen te volgen op MLB.tv en ESPN America, dat nu al dagelijks Baseball Tonight uitzendt, start de coverage van Spring Training met een wedstrijd tussen de Tigers en de Braves op donderdag 3 maart (7 uur NL tijd).

De oefenwedstrijden gaan eigenlijk helemaal nergens om. Er wordt weliswaar gestreden om de titel in de Grapefruit League (Florida) en de Cactus League (Arizona), maar de wedstrijden staan vooral in het teken van het in vorm komen van de sterspelers, de strijd om posities die nog ingevuld moeten worden en de progressie die de jonge talenten maken.

Players to watch
Elk team nodigt voor Spring Training de spelers uit die op het 40-man roster staan plus een aantal non-roster invitees. Die laatste groep bestaat uit jonge talenten uit de organisatie en oudere spelers, die terugkomen van een slecht seizoen of een blessure en geen Major League contract kregen of spelers die een beetje tussen de MLB en Triple-A in zitten (de zogenaamde Quadruple-A spelers).

Het kijken naar een Spring Training wedstrijd is vooral leuk omdat het weer de eerste beelden van honkbal zijn sinds de World Series, maar de wedstrijden zijn vaak niet heel boeiend om te zien. De sterspelers spelen een aantal innings en worden dan vervangen door onbekende spelers van wie een groot aantal nooit in de MLB zal spelen in het aankomende seizoen. Je moet daarom een beetje in de gaten houden welke spelers interessant zijn om te volgen op televisie en in de box scores. Hierbij moet je dus denken aan spelers die nog in de race zijn voor een plek in de starting lineup, rotation of bullpen en jonge talenten, die in de lente mogen laten zien wat ze kunnen tegenover de grote namen uit de Majors.

Spelers die je deze Spring Training in de gaten moet houden zijn:

  • Ivan Nova, Sergio Mitre, Freddy Garcia en Bartolo Colon. Zij gaan strijden om de meest besproken open plaatsen in welk team dan ook: de laatste twee spots in de starting rotation van de New York Yankees.
  • Desmond Jennings. Hij is in de race voor een plek in de lineup van de Rays, maar moet het opnemen tegen onder andere Johnny Damon en B.J. Upton.
  • Kyle Gibson. Als het grootste pitching talent van de Minnesota Twins het goed in Spring Training kan hij een plek in de rotation winnen en zou het wel eens het einde voor Francisco Liriano kunnen betekenen bij de Twins.
  • Homer Bailey, Travis Wood en Mike Leake gaan strijden om de laatste twee plekken in de rotation van de Reds.
  • Domonic Brown. Kan hij als rookie de plek in het rechtsveld van de Phillies winnen?
  • Frank Francisco, Octavio Dotel, Jon Rauch en Jason Frasor. Wie van hen wordt de closer van de Blue Jays?
  • Marco Scutaro en Jed Lowrie strijden om de plek van startende korte stop bij de Red Sox.
  • Talenten Bryce Harper (No. 1 draft pick in 2010, Nationals), Koby Clemens (zoon van Roger, Astros), Jesus Montero (grootste talent van de Yankees), Casey Kelley (kwam over in de Adrian Gonzalez-trade, Padres) en Freddie Freeman (waarschijnlijk de nieuwe eerste honkman van de Braves).
  • En natuurlijk Nederlanders Andruw Jones (Yankees), Roger Bernadina (Nationals), Rick van den Hurk (Orioles), Greg Halman (Mariners), Jair Jurrjens (Braves), Kenley Jansen (Dodgers), Loek van Mil (Angels), Shairon Martis (Nationals) en ik verwacht dat later in maart ook Curt Smith (Cardinals) en Sharlon Schoop (Giants) een kans krijgen.

Nederlands team
Het Nederlands team reist binnenkort naar Florida om in St. Petersburg een aantal wedstrijden te spelen op het voormalige Spring Training complex van de Tampa Bay Rays. Op dit complex worden vanaf dit jaar in de lente, de zomer en de herfst een aantal internationale wedstrijden gespeeld. Nederland is voor de eerste editie uitgenodigd, net als Canada en een Koreaans profteam. Na een aantal wedstrijden tegen Canada, Korea en een college team zijn de twee wedstrijden tegen de Tampa Bay Rays en de Philadelphia Phillies op respectievelijk 9 en 13 maart de slagroom op het toetje.

De wedstrijden tegen de MLB teams worden om 1 uur plaatselijke tijd (7 uur ’s avonds bij ons) gespeeld en ongetwijfeld ergens op internet uitgezonden. Ik laat je uiteraard weten waar je de wedstrijden kunt bekijken.

Sabermetrics part 5

Vandaag, in het voorlopig laatste deel over Sabermetrics, statistieken waarmee je de prestaties van een speler in het komende seizoen kunt projecteren/voorspellen. In eerdere delen behandelde ik al verschillende Sabermetrics. Sabermetrics zijn nieuwe statistieken die de waarde van spelers beter in getal uitdrukken dan de ouderwetse statistieken als slaggemiddelde en ERA.

Voordat ik begin aan de nieuwe stats, behandel ik nog kort de statistieken van vorige week. Ik kreeg van een aantal mensen de vraag hoe ERA+ en OPS+ precies berekend wordt. Uiteraard zijn er voor het berekenen van deze stats ook formules. De formule voor OPS+ is: OPS+ = 100 * ((OBP/lgOBP) + (SLG/lgSLG) -1)/BPF. lgOBP en lgSLG zijn hierbij de de league averages van OBP en SLG en BPF is de Ballpark Factor. ERA+ wordt alsvolgt berekend: 100 * (lgERA/ERA).

xFIP
In het eerste deel van deze serie behandelde ik FIP (Fielding Independent Pitching). FIP is een eerlijkere stat om een pitcher te beoordelen dan ERA, omdat bij de laatste stat ook de acties van fielders meegerekend worden. FIP meet de prestaties van de pitcher onafhankelijk van de kwaliteiten en prestaties van de fielders achter zich. De x in xFIP staat voor expected. xFIP berekent het verwachte FIP voor het komende seizoen. De formule voor xFIP is bijna exact hetzelfde als die van FIP, maar in plaats van de HR/FB ratio van de pitcher zelf te gebruiken, wordt dit van de gemiddelde pitcher in de league gebruikt. Hiervoor is gekozen omdat dit de stat is die bij pitchers het meest fluctueert. De formule voor xFIP is ((13*(lgHR/FB*# of fly balls))+(3*BB+HBP-IBB)-(2*K))/IP+constant. De constant wordt gebruikt om het xFIP op ERA schaal (x.xx) te krijgen. xFIP wordt iets zwaarder gewogen dan ERA, dat wil zeggen dat een xFIP van 4.09 beter is dan een ERA van 4.09.

Als een pitcher in een jaar een veel lager FIP had dan een xFIP mag je verwachten dat hij een seizoen later minder zal presteren dan het jaar ervoor. C.J. Wilson had voor 2010 een xFIP van 4.20 en eindigde met een FIP van 3.56. Dat verschil is dermate groot dat we van Wilson niet mogen verwachten dat hij opnieuw zo’n goed seizoen draait. Het is natuurlijk geen garantie, want er zijn ook spelers die elk jaar een lager FIP halen dan hun xFIP. Dit komt doordat ze elk jaar een lagere HR/FB ratio hebben dan de gemiddelde pitcher in de MLB.

prOPS
Voor het voorspellen van de aanvallende statistieken worden van alle stats met verschillende formules predicted stats gemaakt. Voor elke stat komen de letters ‘pr’ te staan, die letters staan weer voor predicted. Omdat OPS volgens Sabermetricians van alle aanvallende stats het meest compleet is, licht ik het prOPS toe. Bij het berekenen van prOPS wordt niet alleen rekening gehouden met de standaard criteria van OPS, maar ook met de volgende zaken:

  • Line drives per batted ball
  • Groundball-to-flyball ratio
  • Walk rate
  • Hit-by-pitch rate
  • Strikeout rate
  • Home run rate
  • Home park of the player

De bovenste twee worden gebruikt om de zogenaamde ‘geluksfactor’ erbij te betrekken. Sloeg een slagman veel line drives? Hoeveel daarvan vielen voor hits? Hoeveel werden er door goede plays uit de lucht geplukt? De volgende vier stats spreken voor zich en de laatste wordt gebruikt om de Ballpark Factor, die we ook bij OPS+ naar voren zagen komen, bij de berekening te betrekken. Ik heb eerlijk gezegd nergens de exacte formule voor het berekenen van prOPS gevonden. Zodra ik die tegenkom, zal ik die plaatsen.

Het prOPS wordt aan het eind van het seizoen vaak vergeleken met het echte OPS om te bekijken of een speler boven of onder zijn kunnen heeft gepresteerd. Die berekening wordt prOPS+ genoemd en heeft de simpele formule van prOPS-OPS. Als een speler een positief prOPS+ heeft presteert hij boven zijn en kunnen en met een negatief prOPS+ presteert hij onder zijn kunnen. Het prOPS+ wordt vervolgens weer gebruikt voor het projecteren van het OPS voor het volgende seizoen. Als een speler een negatief prOPS+ heeft in een bepaald seizoen, mag van hem verwacht worden dat hij het volgende seizoen beter zal presteren. Als een speler een positief prOPS+ heeft geldt het omgekeerde.

Pythagorean Win-Loss Record
Als laatste sabermetric pak ik er een stat bij die de prestaties van een heel team voorspelt. Het Pythagorean Win-Loss Record voorspelt het winning percentage en daarmee het uiteindelijke Win-Loss Record van een team. Het is vernoemd naar de stelling van Pythagoras (a2 + b2 = c2), omdat de berekening van het Pythagorean Win-Loss Record een beetje lijkt op deze formule. De formule is namelijk: projected winning percentage = (a2 / (a2 + b2)). a is hierbij Runs Scored en b is runs allowed.

Heeft een team dus na de maand april 230 punten gescoord en 215 punten tegen gekregen dan heeft het team een projected winning percentage van (2302 / (2302 + 2152)) = .534. Dat komt over een seizoen van 162 wedstrijden uit op een Pythagorean Win-Loss Record van 87-75. Natuurlijk zouden zij in mei tegen een hele slechte maand aan kunnen lopen dus bereken je dat over de wedstrijden van april. Stel het team heeft 24 wedstrijden gespeeld in april dan zouden zij een record moeten hebben van 13-11. Als het team een hoger Win-Loss Record heeft, ziet men dat als geluk. Zitten zij eronder dan heeft het team pech gehad. Die pech kan zitten in het spelen van meerdere wedstrijden tegen betere teams, maar bijvoorbeeld ook in negatieve prOPS+ van meerdere spelers van het team.

Dit was voorlopig het laatste deel van de serie ‘Sabermetrics’. Ik zal de behandelde stats tijdens het seizoen gebruiken om spelers en teams te beoordelen. Kom jij nog een keer een Sabermetric tegen die je graag uitgelegd ziet of heb je andere suggesties voor het thema ‘Baseball Slang Explained’? Let me know! Via Twitter, Facebook, mail of comments!

Sabermetrics part 4

In het vierde en voorlopig voorlaatste deel van de serie Sabermetrics behandel ik ERA+, OPS+ en Clutch. Tot nu toe kwam er elke dinsdag in de maand januari een deel uit in deze serie. Vorige week werden wOBA, WE en WPA behandeld. Een overzicht van alle behandelde Sabermetrics vind je hier.

ERA+ en OPS+
Sabermetricians vinden ERA+ en OPS+ nuttiger bij het vergelijken van spelers dan het ouderwetse ERA en OPS zelf. ERA+ vergelijkt het ERA van de pitcher met het gemiddelde ERA in de league. OPS+ doet hetzelfde met het gemiddelde OPS van de league. Bovendien worden de verschillen tussen alle stadions waarin spelers spelen. Sommige stadions zijn ‘pitcher friendly’ andere stadions zijn juist ‘hitter friendly’. Coors Field staat bijvoorbeeld bekend om de ijle lucht waardoor geslagen ballen verder lijken te gaan. Het is vaak in de stats van spelers te zien dat zij in Colorado spelen. Slagmensen hebben hogere slaggemiddeldes en meer home runs en pitchers hebben hogere ERA’s. Sommige stadions zijn ook gewoon groter dan andere stadions het is moeilijker om een home run te slaan in Comerica Park dan in Yankee Stadium. Omdat deze factoren meewegen bij het berekenen van ERA+ en OPS+ kun je op een eerlijke manier spelers vergelijken.

Het league average waarmee de spelers vergeleken worden veranderd elk jaar. Door de jaren heen liggen deze gemiddeldes nu eenmaal ver uit elkaar. Rond 1900 lagen de slaggemiddeldes hoger dan ze tegenwoordig liggen, het OPS lag daarom automatisch ook hoger. In 1968 won Carl Yastrzemski de batting title met een slaggemiddelde van .301, iets wat tegenwoordig ondenkbaar is. Deze verschillen tussen tijdperken in de honkbalgeschiedenis worden met deze sabermetrics opgevangen omdat ze de spelers met het league average vergelijken.

Het gemiddelde ERA+ en OPS+ wordt aangeduid met 100. Als een speler daaronder zit, heeft hij een slecht seizoen gedraaid. Als een pitcher een ERA+ van 120 had, betekent dat dat hij het afgelopen seizoen 20% beter was dan de gemiddelde werper in dat seizoen.

Om de werking van OPS+ te illustreren, gebruik ik de volgende drie seizoenen van spelers, die we voor het gemak Speler A, B en C noemen. Welke van onderstaande seizoenen zou je op basis van deze ‘ouderwetse’ stats het beste noemen?
Speler A: .313 BA, 58 HR, 149 RBI, .425 OBP, .659 SLG.
Speler B: .317 BA, 40 HR, 110 RBI, .404 OBP, .632 SLG.
Speler C: .386 BA, 40 HR, 170 RBI, .436 OBP, .687 SLG.

Op het eerste gezicht koos ik voor het speler C. Hij sloeg weliswaar iets minder homeruns dan Speler A, maar was in alle andere stats beter. Speler B kwam bij mij op de derde plaats, maar als je het OPS+ van deze spelers uitrekent, kom je op een hele andere uitslag:
Speler A: 167
Speler B: 181
Speler C: 159

Duidelijk is dat alledrie de spelers een geweldig seizoen hadden (mimimaal 59% beter dan de gemiddelde speler), maar speler B scoorde het hoogst. Dit heeft alles te maken met het gemiddelde OPS in de league in de betreffende seizoenen. In het seizoen van Speler B waren de punten duidelijk schaarser dan in de andere twee seizoenen. Voor de duidelijkheid: deze drie spelers waren alledrie bekende Phillies in verschillende tijdperken. Speler A is Ryan Howard in 2006, Speler B is Dick Allen in 1966 en Speler C is Chuck Klein 1929.

Clutch
Iedere honkbalfan kent het woord clutch, maar wat betekent het nou precies? Een clutch hitter wordt op Wikipedia alsvolgt omschreven: “A clutch hitter is a baseball player with a knack for coming up with the “big” hit. The big hit is typically a game-deciding hit, sometimes a home run, often coming with two outs.” Clutch zijn, betekent dus dat een speler op belangrijke momenten, laat in de wedstrijd, doorkomt met een belangrijke actie waarmee hij de wedstrijd voor zijn team op positieve wijze beinvloed. Deze ‘clutchness’ kun je nu ook meten met de sabermetric Clutch, maar hoe?

Vorige week behandelde ik al WPA (Win Probability Added). WPA meet in hoeverre een speler heeft bijgedragen aan de Win Expectancy (eveneens vorige week behandeld) van zijn team. Om Clutch uit te rekenen neem je het WPA en trek je daar het WPA/LI vanaf. LI staat hierbij voor Leverage Index en meet de druk die een speler ondergaat in een bepaalde situatie. Een slagbeurt met een man op het tweede honk met twee uit in de negende inning en een 3-2 achterstand brengt natuurlijk meer druk met zich mee dan een slagbeurt met 1 uit, een loper op het eerste honk een een 6-0 voorsprong in de vierde inning. Omdat sommige spelers nu eenmaal meer in belangrijke situaties aan slag komen dan anderen kan hun WPA hoger zijn dan dat van anderen. WPA/LI wordt ook wel Context Neutral Wins genoemd en meet dus de WPA onafhankelijk van de situaties waarin de spelers aan slag kwamen. Om Clutch in een getal uit te drukken moet je dus het WPA verminderen met het WPA/LI. Als een speler dan nog een positief getal heeft, was hij in dat jaar clutch. Heeft hij een negatieve uitkomst dan was hij in het betreffende seizoen niet goed in belangrijke situaties. De meeste spelers scoren tussen de -1 en de 1, maar er zijn elk seizoen wel een paar spelers die er boven (of onder) uit steken. In 2010 was Michael Bourn het beste in ‘clutch situations’ met een score van 2.20, B.J. Upton deed het een stuk minder goed en had de slechtste score met -2.44.

Volgende week het laatste deel van deze serie over projections, stats waarmee sabermetricians voorspellen hoe spelers het komende seizoen zullen presteren.

Sabermetrics part 3

Vandaag behandel ik opnieuw drie Sabermetrics: wOBA, WE en WPA. Een overzicht van de Sabermetrics die ik al behandeld heb vind je door op de knop Baseball Slang Explained te klikken. Deze nieuwe stats zijn erg bruikbaar voor het bepalen van de waarde en de kwaliteit van een speler. Voor journalisten een erg leuk speeltje, voor GM’s, managers en front office executives heel belangrijk en voor ons gewone fans leuk om te weten en handig voor fantasy baseball!

wOBA
wOBA staat voor weighted On Base Average en meet volgens sabermetricians de waarde van een speler beter dan average en slugging percentage en OPS. Voor het slaggemiddelde wegen alle honkslagen even zwaar, maar een home run is natuurlijk meer waard dan een single. Bij slugging percentage en OPS wordt dat verschil in waarde tussen verschillende honkslagen wel erkend, maar de berekeningen daarbij kloppen niet helemaal. Een double is daarbij twee keer zoveel waard als een single en een home run is op zijn beurt twee keer zoveel waard als een double. Sabermetricians hebben echter uitgezocht welke waarde (omgerekend in runs) bij welke gebeurtenis in een wedstrijd hoort. Een lijst met deze run values vind je hier.

Het woordje weighted betekent dat deze run values meegewogen worden bij het berekenen van deze stat. Voor wOBA tellen de walks (niet de intentional walks), hit by pitches, singles, RBOEs (reached base on errors), doubles, triples en home runs mee. Deze stats worden eerst vermenigvuldigd met hun run value voordat ze bij elkaar opgeteld worden en vervolgens worden gedeeld door het aantal plate appearances. Het gemiddelde wOBA in de Majors is .335 en de beste spelers zitten – net als met het OBP – boven de .400. In 2010 hadden beide MVP’s Josh Hamilton en Joey Votto het hoogste wOBA met respectievelijk .447 en .439. Cezar Izturis van de Orioles was van alle gekwalificeerde spelers de slechtste slagman vorig seizoen met een wOBA van .248.

WE
WE staat voor Win Expectancy en meet na elke actie in een wedstrijd de kans dat een team een wedstrijd wint. David Appelman, een bekende sabermetrician, beschreef WE alsvolgt: “Win Expectancy is the percent chance a particular team will win based on the score, inning, outs, runners on base, and the run environment.” De tussenstand, het punt in de wedstrijd, het aantal nullen in een inning en het aantal honklopers spreken voor zich. Het run environment staat voor het aantal punten dat in een wedstrijd gescoord is tot op dat moment in de wedstrijd.

Win expectancy wordt voornamelijk gebruikt om na afloop te kijken wie de belangrijkste hit sloeg of wie de belangrijkste strikeout gooide. Als je elke wedstrijd zo onderzoekt, kun je op een andere manier dan WAR of Runs created bepalen welke speler van grote waarde zijn voor hun team. Het verloop van de WE van een wedstrijd wordt over het algemeen in een grafiek (zie hieronder) geïllustreerd. Fangraphs is een site waar erg veel met deze statistieken wordt gewerkt.


De bovenstaande grafiek laat het verloop van de WE in de laatste wedstrijd van de World Series afgelopen seizoen tussen de Rangers en de Giants. In de grafiek is te zien dat de homerun van Edgar Renteria de ‘game changer’ was. Bij de stand van 0-0 in de 7e inning sloeg hij een 3-run home run. Na de home run van Cruz in de gelijkmakende slagbeurt stegen de kansen van de Rangers nog even, maar Lincecum en Wilson hielden het in de 8e en 9e inning dicht en bezorgden de Giants de World Series titel. Op deze pagina vind je de grafiek en de speciale box score van de wedstrijd. In deze box score staat ook WPA, de volgende sabermetric die ik behandel.

WPA
De afkorting WPA staat voor Win Probability Added en meet in hoeverre een speler heeft bijgedragen aan de Win Expectancy van zijn team. In de grafiek kun je al aflezen welke spelers belangrijke acties hadden in de wedstrijd en WPA meet precies hoe belangrijk (positief of negatief) zij waren.

In de tabel onder de grafiek wordt in de speciale box score met een getal aangegeven hoeveel invloed de speler op de winkansen van zijn team had. Dit getal komt tot stand door de verschillen die een speler met zijn acties had op de winstkansen van zijn team (in procentpunten) bij elkaar op te tellen. De som hiervan kan zowel positief als negatief zijn. Edgar Renteria had in Game 5 met zijn belangrijke homerun een hele positieve score, maar sloeg eerder in een dubbelspel. Hij kwam uit op .258. Tim Lincecum was de meest waardevolle speler met een WPA van .463 na 8 innings waarin hij slechts een punt tegen kreeg, slechts drie honkslagen toestond en 10 man met drie slag aan de kant zette. Hun teamgenoot Pat Burrell, die in de World Series 0-11 ging met 9 K’s, had ook in Game 5 een slechte dag. In de slagbeurt voordat Renteria aan slag kwam, kreeg hij drie slag met lopers op twee en drie. Hij was dan ook de minst waardevolle speler van de wedstrijd met een WPA van -.193.

Brian Daubach – wie kent hem niet? – had de beste wedstrijd ooit op het gebied van WPA. In 2000 sloeg hij in een wedstrijd voor de Red Sox 3-5 met twee singles, een home run en 4 RBIs. Hij haalde daarmee een WPA van 1.273. Vorig jaar zagen we een van de slechtste WPA’s aller tijden. Luis Castillo liet in de negende inning bij een voorsprong van 8-7 met twee uit in de negende inning en lopers op het eerste en tweede honk een simpele popup van A-Rod uit zijn handschoen vallen waardoor beide honklopers konden scoren en de Yankees de wedstrijd wonnen. Dit leverde Castillo een WPA op van -0.825. Hieronder zie je het verloop van de Win Expectancy in deze wedstrijd. Zelden kom je een groter verschil tegen in een play.

Sabermetrics part 2

Vorige week behandelde ik voor het eerst Sabermetrics. Deze ‘nieuwe’ stats worden door Sabermetricians gebruikt om de waarde van spelers beter te kunnen bepalen dan met stats als wins, losses, homeruns en RBIs. Elke week zal ik drie van deze Sabermetrics toelichten om ze later in het seizoen te kunnen gebruiken bij het beoordelen van prestaties van spelers en teams. Vorige week kwamen WAR, UZR en FIP aan bod, vandaag leg ik de begrippen runs created, BABIP en HR/FB uit.

Runs created
Dit is een statistiek waarmee gemeten wordt aan hoeveel punten een slagman voor zijn team een bijdrage had. Je kunt natuurlijk kijken hoeveel homeruns een slagman slaat, hoeveel honken hij steelt en of hij veel extra base hits slaat, maar het belangrijkste is natuurlijk om te weten hoe vaak zijn acties tot punten leiden. Bij runs created worden niet alleen honkslagen meegerekend, maar ook alle keren dat een speler op het honk kwam en zelfs productive outs (bijvoorbeeld een sacrifice bunt). De simpelste formule is RC (runs created) = (A x B)/ C. A is hierbij de On-base factor, B is de ‘advancement factor’ en C is de ‘opportunity factor’. Simpel gezegd is het dus de mogelijkheid op het honk te komen vermenigvuldigd met de mogelijkheid om anderen over te brengen, gedeeld door het aantal mogelijkheden.

Door de jaren heen zijn er verschillende manieren geweest om A, B en C te berekenen. Sinds 2002 zijn dit de meest gebruikte formules:
A = (H + BB + HBP – GIDP – CS) = (Hits + Walks + Hit by pitches – Grounded Into Double Plays – Caught stealing)
B = ((1.125 x Singles) + (1.69 x Doubles) + (3.02 x Triples) + (3.73 x Homeruns)) + (0.29 x (BB – (IBB + HBP))) + (.492 x (SH + SF + SB)) – (0.4 x K)
C = (AB + BB + HBP + SF + SH)

Een hoop rekenwerk dus, maar uiteindelijk krijg je er een representatief getal uit voor het aantal punten waarbij een speler betrokken is. Als je namelijk van alle spelers van een team uitrekent hoeveel hun aantal runs created was en het bij elkaar optelt, kom je heel dicht in de buurt van het totale aantal punten dat het team dat jaar scoorde. Babe Ruth is All-Time leader in RC met 2757 en kende ook het meest productieve seizoen ooit in 1921 met 233 RC.

BABIP
Bij honkbal komt – net als in elke andere sport – ook geluk kijken. Je kunt als slagman een bal vol raken en bijna zeker weten dat hij ‘outfield grass’ gaat vinden, maar dan toch zien dat een snelle linksvelder (bijvoorbeeld Carl Crawford) een geweldige vangbal maakt om je te beroven van een honkslag. Een andere keer sla je een heel lullig balletje net over het infield heen en komt een trage speler er niet bij. Het gewone batting average houdt hiermee geen rekening, BABIP doet dit wel. BABIP staat voor Batting Average on Balls In Play in andere woorden het gemiddelde van het aantal ballen dat een slagman het veld in brengt dat valt voor een honkslag. Je kunt deze stat gebruiken voor slagmensen en pitchers, als een slagman in een jaar een hoog BABIP heeft, heeft hij geluk gehad en kun je verwachten dat zijn average het volgend jaar lager zal liggen. Heeft een pitcher een hoog BABIP tegen dan heeft hij weinig geluk gehad en mag je verwachten dat hij volgend jaar een beter seizoen heeft. Dit geldt andersom ook: een laag BABIP is voor een slagman meestal een indicator dat hij pech gehad heeft en volgend seizoen beter zal zijn. Voor een pitcher is het natuurlijk andersom.

Het gemiddelde BABIP voor een slagman ligt tussen de .290 en de .300. Als het BABIP van een speler hier behoorlijk van afwijkt, kun je dus conclusies gaan trekken over zijn ‘luck factor’. Toch geldt dit niet voor alle spelers. Sommige spelers, waaronder bijvoorbeeld Ichiro, presteren nu eenmaal – mede dankzij hun snelheid – beter dan het league average en zullen elk jaar een hoger BABIP hebben dan de rest. De formule voor BABIP is: BABIP = A/B. A is hierbij (Hits – Homeruns). B is ((At Bats – K’s – Homeruns) + Sacrifice Flies).

Tussen de leaders in 2010 stonden Austin Jackson (.396), Josh Hamilton (.390), Carlos Gonzalez (.384) en Joey Votto (.361). Van hen kunnen we volgend seizoen logischerwijs een iets lager batting average verwachten. Aaron Hill had met een BABIP van .191 het ‘minste geluk’ en van hem mogen we volgend jaar meer verwachten.

HR/FB
HR/FB staat voor Homeruns per Fly Ball en meet dus hoeveel homeruns een slagman slaat per in de lucht geslagen bal. HR/FB wordt voor slagmensen gebruikt om te kijken of er een verschil in kracht is met het jaar ervoor. De gemiddelde HR/FB ratio van een echte power hitter ligt overigens rond de 15-20% van andere, minder krachtige slagmensen kan dit natuurlijk veel lager zijn. Als jij een speler op het oog hebt voor jouw fantasy baseball team, die normaal gesproken rond de 40 homeruns slaat, maar het seizoen er voor maar 25 homeruns sloeg, kun je via zijn HR/FB ratio vaststellen of zijn kracht is afgenomen. Als zijn ratio lager ligt dan de afgelopen jaren mag je ervan uitgaan dat zijn kracht inderdaad is afgenomen. Ligt de ratio op gelijke hoogte dan is hij minder fly balls gaan slaan. Dat kan een gevolg zijn van een aanpassing in zijn swing, waardoor hij bijvoorbeeld meer line drives is gaan slaan. Als hij meer grondballen is gaan slaan (zie GB/FB ratio) dan is het een slecht teken en zou ik hem niet nemen in de fantasy draft.

Voor pitchers is er ook een HR/FB ratio. Voor hen is die natuurlijk een stuk negatiever. Een pitcher met een hoge HR/FB ratio zal niet erg gewild zijn. Om minder homeruns tegen te krijgen moet hij proberen meer grondballen tegen te krijgen (lage pitches) of proberen zijn HR/FB ratio omlaag te krijgen. De gemiddelde HR/FB ratio voor pitchers in de Majors ligt rond de 16%. James Shields van Tampa Bay had de hoogste ratio in 2010 met 13.8%, Josh Johnson had met 4.2% de laagste. Het gemiddelde ligt op 16% omdat er genoeg pitchers zijn met een hogere ratio dan 13.8%, maar zij gooiden niet genoeg innings om meegenomen te worden met de league leaders. Om opgenomen te worden in deze lijst moet een pitcher in een jaar minimaal net zo veel innings gegooid hebben als zijn team wedstrijden heeft gespeeld: 162.

Volgende week weer nieuwe Sabermetrics in deel 3.

Sabermetrics part 1

Jarenlang gebruikten we de gangbare stats als wins, homeruns, hits en RBIs om de kwaliteiten van spelers te bepalen. De laatste jaren is een nieuwe soort stats in opkomst: de Sabermetrics. Het woord Sabermetrics is afgeleid van de afkorting SABR, die staat voor Society of American Baseball Research. In verschillende delen, zal ik deze stats behandelen. Vandaag WAR, UZR en FIP.

Objectief
Via de sabermetrics proberen de ‘sabermetricians’ op een objectieve wijze de kwaliteiten van een speler te bepalen. Zij vinden gangbare statistieken als batting average niet genoeg de specifieke kwaliteiten van de spelers naar boven brengen. De waarde van een speler kan volgens hen beter gemeten worden aan zijn vermogen om zijn team te helpen punten te scoren. Punten scoren (en zorgen dat de tegenstander zo min mogelijk scoort) is immers het belangrijkste onderdeel van honkbal. Zij vinden OBP (On Base Percentage) daarom een betere stat, maar gebruiken het liefst hun eigen stats: runs created en win shares. Sommige sabermetric statistieken worden al steeds vaker gebruikt tussen de ‘ouderwetse’ stats. Voorbeelden hiervan zijn OPS (On Base plus Slugging) en WHIP (Walks Plus Hits per Inning Pitched) voor de pitchers.

Hieronder volgt een toelichting bij de eerste drie sabermetrics. In de komende weken zullen hier steeds meer stats volgen. Tijdens het seizoen ga ik aan de hand van deze stats laten zien hoe bepaalde spelers presteren. In het begin zal ik daarbij steeds verwijzen naar deze pagina voor de uitleg van de stats.

WAR
Een van de meest gebruikte sabermetrics is WAR (Wins Above Replacement). Dit is de beste stat om te meten hoe waardevol een speler voor zijn team is. WAR meet namelijk hoeveel wins een bepaalde speler pakt voor zijn team in vergelijking met zijn directe vervanger (van de bank of uit de minors). Het is dus de optimale stat om de MVP te bepalen, de V staat immers voor valuable en niet per se voor beste. De speler met het hoogste WAR is voor zijn team het meest waardevol geweest. Met andere woorden, zonder hem zou het team waarschijnlijk niet zo hoog zijn geëindigd. Baseball Reference en Fangraphs zijn twee sites die de sabermetric stats bijhouden. Volgens Baseball Reference is een speler van MVP kaliber als hij een WAR heeft van 8 of hoger, boven de 5 is ‘All-Star quality’, tussen 2 en 5 is een MLB starter, tussen 0 en 2 is een bankspeler en 0 is het niveau van de ‘replacement player’.
Ik zal jullie niet vermoeien met de exacte formule van WAR – dat is hogere wiskunde -, maar bij het berekenen van WAR worden de aanvallende en verdedigende kwaliteiten van de betreffende speler meegenomen en de speler die hem zou vervangen meegewogen. Bovendien weegt de veldpositie van de speler mee, omdat volgens de sabermetricians sommige posities nu eenmaal moeilijker te bespelen zijn dan anderen. Catchers krijgen meer punten dan de rest, eerste honkmannen en DH’s krijgen de minste punten.

Evan Longoria was volgens Baseball Reference de speler met het hoogste WAR in 2010 met 7.7. Hij eindigde daarmee boven Shin-Soo Choo van de Indians (7.3) en Albert Pujols (7.2). De MVP in de National League was Joey Votto met een WAR van 6.2 in de American League werd Josh Hamilton, maar die eindigde ‘slechts’ als zesde met 6.0.

UZR
Waar WAR de totale waarde van een speler meet, doet UZR dat voor de defensieve waarde van de speler. UZR (Ultimate Zone Rating) is ook het defensieve onderdeel van WAR. Deze stat geeft een ‘run value’ aan de verdedigende kwaliteiten van de speler. Met andere woorden: UZR meet hoeveel punten de speler met zijn defense voorkomt. Bij de berekening van UZR wordt rekening gehouden met de armen van de outfielders, het aantal double plays dat de infielders draaien, het aantal fouten dat spelers maken en de range van de spelers (komt een speler bij veel ballen of kan hij nergens bij?). Voor al deze criteria zijn formules gemaakt, waarmee je kunt omrekenen hoeveel punten zij voorkomen hebben met hun defense. Als je deze cijfers bij elkaar optelt kom je op het UZR. Brett Gardner, linksvelder van de Yankees, had dit jaar het hoogste UZR met 22.3 voor Jay Bruce en Carl Crawford. Van deze drie won alleen Crawford een Gold Glove.

FIP
FIP staat voor Fielding Independent Pitching en is het onderdeel waarop pitchers worden beoordeeld binnen WAR. FIP heeft dezelfde vorm als ERA (x.xx). Sabermetricians vinden dat ERA niet op een juiste manier de kwaliteit van de pitcher weergeeft omdat het een stat is die ook afhankelijk (dependable) is van de kwaliteiten van de fielders die hij achter zich heeft. Een pitcher heeft geen invloed meer op een bal wanneer die richting een fielder gaat en het zou niet eerlijk zijn om hem daarvoor te straffen of te belonen. FIP is onafhankelijk van fielding omdat de ballen die in het veld terecht komen (dus niet homeruns) niet meetellen bij de beoordeling van de pitcher. Hij wordt alleen afgerekend op stats waarop hij direct invloed heeft: walks, K’s en homeruns. Opzettelijk vier wijd (IBB) wordt de pitcher door de coach opgelegd en telt dus ook niet mee. De formule waarmee FIP berekend wordt, ziet er zo uit: FIP = ((13*HR)+(3*(BB+HBP-IBB))-(2*K))/IP+constant. De constant wordt gebruikt om het FIP op ERA schaal (x.xx) te krijgen. De constant is het league average ERA – het league average FIP. Josh Johnson had van alle pitchers in de MLB vorig jaar het laagste FIP met 2.41 en eindigde daarmee voor Cliff Lee, Francisco Liriano en beide Cy Young Award winnaars Halladay en Hernandez.

FIP wordt overigens ook veel gebruikt (in relatie tot ERA) om te voorspellen hoe een pitcher het volgend seizoen zal doen. Als zijn FIP veel lager is dan zijn ERA, mag je verwachten dat hij het jaar erop een beter jaar zal hebben. Zijn ERA was dit jaar hoger, omdat hij ongelukkig was: meer ballen vielen voor hits dan normaal gesproken. Als zijn ERA daarentegen veel lager is dan zijn FIP, mag je verwachten dat hij dat jaar erg veel geluk heeft gehad en het jaar erop een minder goed jaar zal hebben. Over het algemeen geldt dit voor de meeste ERA leaders. Het jaar erop zal hun ERA behoorlijk stijgen.

Dit was deel 1 over Sabermetrics, volgende week deel 2 met daarin onder andere runs created, BABIB en HR/FB.

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.